opzet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·zet
1 enkelvoud meervoud
naamwoord opzet opzetten
verkleinwoord opzetje opzetjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord opzet -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

opzet

  1. v/m de manier waarop aan iets vorm gegeven is
    • De opzet van deze procedure laat veel te wensen over. 
  2. o het onderdeel zijn van een zo gewenst plan
    • Was het werkelijk opzet dat zij aangereden werd? 
     De zestien wielrenners uit België fietsten volgens de politie op de weg en niet op het naastgelegen fietspad. De bestuurder van een zwarte auto wilde de groep passeren. Bij het inhalen heeft de automobilist waarschijnlijk twee wielrenners geraakt. Volgens de Belgen was er opzet in het spel.[1]
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
opzetten

opzet

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opzetten
    • ... dat ik opzet. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opzetten
    • ... dat jij opzet. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opzetten
    • ... dat hij opzet. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 16 mei 2022 Weblink bron “Automobilist die doorreed na ongeluk met wielrenners meldt zich” (16 mei 2022), NOS
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be