opzet

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·zet
1 enkelvoud meervoud
naamwoord opzet opzetten
verkleinwoord opzetje opzetjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord opzet -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

opzet

  1. v/m de manier waarop aan iets vorm gegeven is
    • De opzet van deze procedure laat veel te wensen over. 
  2. o het onderdeel zijn van een zo gewenst plan
    • Was het werkelijk opzet dat zij aangereden werd? 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
opzetten

opzet

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opzetten
    • ... dat ik opzet. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opzetten
    • ... dat jij opzet. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opzetten
    • ... dat hij opzet. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie