monitor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·ni·tor
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘beeldscherm’ voor het eerst aangetroffen in 1961 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord monitor monitoren
monitors
verkleinwoord monitortje monitortjes

Zelfstandig naamwoord

monitor m toezichthouder:

  1. (informatica) een scherm waarop de informatie uit een computer zichtbaar wordt gemaakt
    • De tekst van het WikiWoordenboek was op de monitor zichtbaar.  [3]
  2. iemand die buiten de schooluren leiding geeft aan en toezicht houdt op kinderen of jongeren
  3. studiementor
  4. onderzoekende rapportage b.v. een armoedemonitor
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
monitoren

monitor

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van monitoren
    • Ik monitor. 
  2. gebiedende wijs van monitoren
    • Monitor! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van monitoren
    • Monitor je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen