monitoren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • mo·ni·to·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
monitoren
/ˈmoniˌtorə(n)/
monitorde
/ˈmoniˌtɔrdə/
gemonitord
/ɣəˈmoniˌtɔrt/
zwak -d volledig

Werkwoord

mónitoren

  1. overgankelijk controle uitoefenen op een proces b.v. via een monitor controleren
    • Hij was de systemen aan het monitoren 
    • De fabrieksverantwoordelijke kon alle productieprocessen in zijn kantoor monitoren 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

monitoren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord monitor

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be