mentor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • men·tor
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘leidsman’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
  • afgeleid van het Griekse Méntōr (met het achtervoegsel -or) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord mentor mentoren
mentors
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

mentor m [3]

  1. (onderwijs) (beroep) begeleider van leerlingen of studenten
  2. gids, adviseur, leidsman, raadgever, raadsman
     Heel veel dank aan mijn mentor René Boender. Hij geloofde in mij, motiveerde me groot te denken.[4]
     Sverre was Haralds mentor waar het stijl en lichaamscultuur betrof.[5]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "mentor" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. mentor op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044625691
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be