messing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mes·sing
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘geelkoper’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord messing -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

messing o

  1. (metallurgie) legering van koper en zink
Synoniemen
Vertalingen
Messing-en-groefverbinding bij vloerdelen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord messing messingen
verkleinwoord messinkje messinkjes

Zelfstandig naamwoord

messing

  1. v / m uitsteeksel op een zijde van een plank dat in de groef van een andere plank past
  2. m mestput, mestvaalt, beerput [4]


Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen