mestput

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

mestput
Uitspraak
Woordafbreking
  • mest·put
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mestput mestputten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

mestput m [1]

  1. een diepe ruimte waarin men uitwerpselen van het vee bewaart
    • Zo'n 450 melkveehouders in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe moesten woensdag hun verse melk laten weglopen in de mestput. Door de gladheid in de nacht van dinsdag op woensdag kon zuivelproducent Friesland Campina de melk niet ophalen. Aan het eind van de ochtend werd het melk ophalen hervat.[2] 
    • Hoe de koe in de put terecht zijn gekomen is niet bekend. De brandweer is met een speciaal pak in de mestput gegaan om daarna de veetakel in te zetten.[3] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen