mantel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord mantel mantels
verkleinwoord manteltje manteltjes
Woordafbreking
  • man·tel

Zelfstandig naamwoord

mantel m

  1. (kleding) een omhullend kledingstuk
    Zij sloeg een sierlijke blauwe mantel om haar schouders en stapte naar buiten.
  2. (techniek) een omhulsel rond het eigenlijke apparaat
    Deze mantel dient enerzijds ter bescherming, maar tegelijktijd ter verwarming van het instrument.
  3. (tweekleppigen) een schelpdier uit de orde Ostreoida Wikispecies-logo-en.png
Overerving en ontlening
Vertalingen


Indonesisch

Woordafbreking
  • man·tel
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

mantel

  1. (kleding) jas, mantel
  2. (techniek) mantel, omhulsel


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·tel
enkelvoud meervoud
mantel manteles

Zelfstandig naamwoord

mantel m

  1. tafellaken, tafelkleed
Verwijzingen