mantelzorg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·tel·zorg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mantelzorg -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

mantelzorg v/m

  1. de zorg die niet beroepshalve aan zieken, gehandicapten en andere hulpbehoevenden verleend wordt
    • De familie gaf de gehandicapte man wat mantelzorg. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie