overjas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·jas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord overjas overjassen
verkleinwoord overjasje overjasjes

Zelfstandig naamwoord

overjas v/m

  1. (kleding) een jas die doorgaans als bescherming van de kleding wordt gebruikt
    • Dankzij de overjas had hij geen smerige vlekken op zijn broek. 
     Hij was gekleed in een soort militaire overjas en droeg zijn geweer in een soepel foedraal over zijn ene schouder.[1]
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044625691
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be