leek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leek
enkelvoud meervoud
naamwoord leek leken
verkleinwoord leekje leekjes

Zelfstandig naamwoord

leek m

  1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
  2. (religie) iemand die niet tot den geestelijken stand behoort, de gewone gelovige
    • In de katholieke kerk helpen leken bij de eredienst. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
lijken

leek

  1. enkelvoud verleden tijd van lijken
    • Ik leek. 
    • Jij leek. 
    • Hij, zij, het leek. 

Werkwoord

vervoeging van
leken

leek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leken
    • Ik leek. 
  2. gebiedende wijs van leken
    • Leek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leken
    • Leek je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Engels

enkelvoud meervoud
leek leeks

Zelfstandig naamwoord

leek

  1. prei
Anagrammen