leken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
leken
leekte
geleekt
zwak -t volledig

Werkwoord

leken

  1. absoluut (verouderd) druipen, druppelen, vloeien
    • Zijn ogen leekten. 

Werkwoord

vervoeging van
lijken

leken

  1. meervoud verleden tijd van lijken
    • Wij leken. 
    • Jullie leken. 
    • Zij leken. 
     Het leken wel geweerschoten, die steeds dichterbij kwamen.[1]

Zelfstandig naamwoord

leken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord leek


Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
leken lac laken geleken
klasse 5 volledig  

Werkwoord

leken

  1. vloeien, stromen, leken.
    • ..die hem menech gat stac,
      daar dat bloet ute lac
      over sijn heilech anscijn.
      -Der Leken Spieghel II, LIII, 40.[1] 
Afgeleide begrippen

Verwijzingen

  1. blz 197. Nieuw Nederlandsch taalmagazijn. Lambert Allard te Winkel 1857


Nynorsk

Woordafbreking
  • le·ken

Zelfstandig naamwoord

leken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van lek

Zelfstandig naamwoord

leken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van leke