amateur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ama·teur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord amateur amateurs
verkleinwoord amateurtje amateurtjes

Zelfstandig naamwoord

amateur m

  1. een persoon die iets als hobby doet en dus niet beroepsmatig
    De amateurs mochten op zondag voetballen.
  2. (pejoratief) iemand die onervaren is, prutser, knoeier
    Je lijkt wel een amateur met al dat geknoei.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl