laak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • laak
enkelvoud meervoud
naamwoord laak laken
verkleinwoord laakje laakjes

Zelfstandig naamwoord

laak v/m

  1. (waterstaat) een beek of gegraven waterloop, welke in het verleden de grens vormde tussen twee marken: gemeenschappelijke, ongecultiveerde gronden

Werkwoord

vervoeging van
laken

laak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van laken
    • Ik laak. 
  2. gebiedende wijs van laken
    • Laak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van laken
    • Laak je?