kot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kot
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘armoedig huis’ voor het eerst aangetroffen in 1038 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord kot kotten
[5] koten
verkleinwoord kotje kotjes

Zelfstandig naamwoord

kot o

  1. een klein, armoedig huis
  2. woning horende bij koterstede (keuterij)
  3. hok
  4. gevangenis
  5. deel van een molen
  6. (België) een gehuurde studentenkamer
    • toen hij ging studeren, ging hij op kot 
  7. bordeel
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Pools

Uitspraak
Woordafbreking
  • kot

Zelfstandig naamwoord

kot m

  1. kat
    «Moja ciotka ma czarnego kota
    Mijn tante heeft een zwarte kat.
Verbuiging


Turks

Woordafbreking
  • kot
enkelvoud meervoud
nominatief   kot     kotlar  
genitief   kotun     kotların  
datief   kota     kotlara  
accusatief   kotu     kotları  
locatief   kotta     kotlarda  
ablatief   kottan     kotlardan  

Zelfstandig naamwoord

kot

  1. spijkerstof, denim


stellend vergrotend overtreffend
kot

Bijvoeglijk naamwoord

kot

  1. gemaakt van spijkerstof
    «kot pantolon»
    spijkerbroek