woning

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
woning

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wo·ning
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord woning woningen
verkleinwoord woninkje woninkjes

Zelfstandig naamwoord

woning v

  1. een doorgaans afgesloten constructie waarin men kan leven
    • In het flatgebouw waren 20 woningen gereed voor bewoning. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • de woning binnenstappen
in de woning gaan
  • de woning uit moeten
uit de woning gezet worden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie