kalkoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kal·koen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hoendervogel’ voor het eerst aangetroffen in 1551 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord kalkoen kalkoenen
verkleinwoord kalkoentje kalkoentjes

Zelfstandig naamwoord

kalkoen m

  1. (vogels) Meleagris gallopavo op Wikispecies, gedomesticeerde vogel die in Nederland vooral rond Kerstmis gegeten wordt
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen