Naar inhoud springen

filum

Uit WikiWoordenboek

Latijn

Uitspraak
  • IPA: /ˈfiːlum/
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

filum o [2]

  1. draad, snoer
  2. lont
  3. weefsel
  4. vezel
  5. (figuurlijk) essentie, aard, wezen
Overerving en ontlening
Verbuiging


Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 24 december 2020 Weblink bron filum in:
    Alfred Ernout, Antoine Meillet, ed. Jacques André
    Dictionnaire étymologique de la langue latine (1932, herdr. 2001), Klincksieck, Paris, p. 235 op archive.org op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 24 december 2020 Weblink bron filum in:
    Charlton T. Lewis, Charles Short
    A Latin Dictionary (1879), Clarendon Press, Oxford op perseus.tufts.edu