lont

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lont
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘koord voor ontsteking’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1520 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord lont lonten
verkleinwoord lontje lontjes

Zelfstandig naamwoord

lont v/m

  1. koord voor het (veilig) aansteken van iets ontplofbaars
    • De lont van het rotje was erg kort, maar de jongen stak hem toch aan. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • een kort lontje hebben.
    • erg snel agressief worden.
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen