lont

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lont
enkelvoud meervoud
naamwoord lont lonten
verkleinwoord lontje lontjes

Zelfstandig naamwoord

lont v/m

  1. koord voor het (veilig) aansteken van iets ontplofbaars
    • De lont van het rotje was erg kort, maar de jongen stak hem toch aan. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • een kort lontje hebben.
    • erg snel agressief worden.
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie