ader

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ader
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Middelnederlands [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord ader aderen, aders
verkleinwoord adertje adertjes

Zelfstandig naamwoord

ader v/m

  1. (anatomie) een vat waardoor zuurstofarm bloed vanuit de weefsels naar het hart beweegt
    • De holle aders zijn de grootste aders van het menselijk lichaam. 
  2. (mijnbouw) een langgerekt lichaam erts te midden van het gesteente
    • Na lang graven vonden de mijnwerkers een ader met een hoog goud gehalte. 
  3. bochtige, kronkelige streep in hout (nerf), marmer etc.
    • Helaas liep er een grote ader door het marmer waardoor het minder waard was. 
  4. (elektrotechniek) een met een isolerende stof omgeven geleider in een kabel
    • Om de terminals op de computer aan te sluiten was er in het gebouw 10-aderig kabel aangebracht en om het nu niet te makkelijk te maken waren ze allemaal van dezelfde kleur. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aderen

ader

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aderen
    • Ik ader. 
  2. gebiedende wijs van aderen
    • Ader! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aderen
    • Ader je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

Papiamento

Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Nederlandse ader.
enkelvoud of
impliciet meervoud
expliciet meervoud
  ader     adernan  

Zelfstandig naamwoord

ader

  1. (elektrotechniek) (mijnbouw) (anatomie) ader.
Synoniemen
Antoniemen