engel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Engel

Nederlands

beeld van een engel
Uitspraak
Woordafbreking
  • en·gel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bode van God’ voor het eerst aangetroffen in 1200 [1]
  • Afkomstig van het Griekse aggelos (bode, afgezant). [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord engel engelen
verkleinwoord engeltje engeltjes

Zelfstandig naamwoord

engel m [3]

  1. een hemels wezen
    • Dat is vast voorkomen door een engel. 
  2. iemand die iets aardigs doet
    • Je bent een engel als je het afval aan de straat zet. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Angelsaksisch

Uitspraak
  • IPA: /ˈeŋgel/

Zelfstandig naamwoord

engel m

  1. engel