engel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Engel

Nederlands

beeld van een engel
Uitspraak
Woordafbreking
  • en·gel
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Griekse aggelos (bode, afgezant). [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord engel engelen
verkleinwoord engeltje engeltjes

Zelfstandig naamwoord

engel m [2]

  1. een hemels wezen
    Dat is vast voorkomen door een engel.
  2. iemand die iets aardigs doet
    Je bent een engel als je het afval aan de straat zet.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal


Angelsaksisch

Uitspraak
  • IPA: /ˈeŋgel/

Zelfstandig naamwoord

engel m

  1. engel