eigendomsbewijs

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ei·gen·doms·be·wijs
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eigendomsbewijs eigendomsbewijzen
verkleinwoord eigendomsbewijsje eigendomsbewijsjes

Zelfstandig naamwoord

eigendomsbewijs o [1]

  1. (economie) (juridisch) officieel stuk waarmee men kan aantonen eigenaar van iets te zijn
     Hij belde direct de dealer: "Ik wil niet onbeleefd zijn, maar u verkoopt een gestolen auto", zei Russel. Hij had nog het originele eigendomsbewijs en de sleutel van de auto. Ook kon hij via de politie aan een kopie van de aangifte van de diefstal uit 1970 komen.[2]
     Een paard moet ook een paspoort hebben. Daarin wordt wel de identiteit van het paard vastgelegd, maar het is geen eigendomsbewijs. In systemen is daardoor niet terug te vinden wie de eigenaar is. In gevallen van verwaarlozing is daardoor lang niet altijd de eigenaar te vinden.[3]

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 20 december 2021 Weblink bron “Man vindt na 42 jaar gestolen auto” (16-07-2012), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 20 december 2021 Weblink bron “Paardensector vraagt om betere registratie” (21-12-2017), NOS