bezitting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zit·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bezitting bezittingen
verkleinwoord bezittinkje bezittinkjes

Zelfstandig naamwoord

bezitting v

  1. dat wat iemand in eigendom heeft, dat wat van iemand is
    • Hij heeft niet veel bezittingen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie