bezitting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zit·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bezitting bezittingen
verkleinwoord bezittinkje bezittinkjes

Zelfstandig naamwoord

bezitting v

  1. dat wat iemand in eigendom heeft, dat wat van iemand is
    • Hij heeft niet veel bezittingen. 
     Ze droeg een oud douchegordijn over haar schouder met al haar bezittingen erin.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be