regelmatig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·gel·ma·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘met vast ritme’ voor het eerst aangetroffen in 1661 [1]
  • Afleiding van regelmaat met het achtervoegsel -ig.
  • Afleiding van regel met het achtervoegsel -matig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen regelmatig regelmatiger regelmatigst
verbogen regelmatige regelmatigere regelmatigste
partitief regelmatigs regelmatigers -

Bijvoeglijk naamwoord

regelmatig

  1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
    • Na enige tijd had hij weer een regelmatige hartslag. 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

regelmatig

  1. op gezette tijden
    • Er wordt regelmatig schoongemaakt. 
  2. af en toe
    • Hij heeft regelmatig studenten op zijn spreekuur. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen