patiënt

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·ti·ent
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord patiënt patiënten
verkleinwoord patiëntje patiëntjes

Zelfstandig naamwoord

patiënt m

  1. (medisch) iemand die medische hulp krijgt
    Als patiënt ben ik zeer tevreden over mijn arts.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl