dichten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dich·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dichten
dichtte
gedicht
zwak -t volledig

Werkwoord

dichten

  1. (overgankelijk) sluiten van een gat, opening
    Men probeerde de scheur in de reactor met een speciaal bindmiddel te dichten.
  2. (inergatief) een gedicht, verzen maken
    Hij verbleef geruime tijd in Parijs, waarover hij zo lovend dichtte.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

dichten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dicht