dichtknopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dicht·kno·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dichtknopen
knoopte dicht
dichtgeknoopt
zwak -t volledig

Werkwoord

dichtknopen

  1. dichtmaken door middel van knopen
    • Hij knoopte zijn jas dicht. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.