gedicht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·dicht
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van de stam van dichten met het voorvoegsel ge-
enkelvoud meervoud
naamwoord gedicht gedichten
verkleinwoord gedichtje gedichtjes

Zelfstandig naamwoord

gedicht o

  1. (dichtkunst) een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk tekst
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van dichten: de stam met omvoegsel ge- -t, zonder -t omdat de stam al op -t eindigt

Deelwoord

deelwoord
onverbogen gedicht
verbogen gedichte
vervoeging van
dichten

gedicht voltooid deelwoord van dichten

  1. vormt de voltooide tijden
    • We hebben het gat gedicht. 
    • Wie heeft Hallél gedicht? 
  2. vormt de lijdende vorm
    • De maas in de regelgeving wordt gedicht met de nieuwe wet 
    • De tekst werd gedicht door de toneelschrijver Hippoliet van Peene en getoonzet door de componist Karel Miry. 
  3. attributief gebruikt
    • Het gisteren opnieuw gedichte gat in de dijk heeft vannacht gehouden. 
    • De zangeres zingt door haarzelf gedichte en gecomponeerde liedjes. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie