diamant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
Natuurlijke diamant

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·a·mant
1 enkelvoud meervoud
naamwoord diamant -
verkleinwoord - -
2 enkelvoud meervoud
naamwoord diamant diamanten
verkleinwoord diamantje diamantjes

Zelfstandig naamwoord

diamant

  1. o (mineraal) een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
    • Omdat diamant uit koolstof bestaat is het net zo brandbaar als steenkool. 
    • De denkbeeldige lift gaat niet omhoog, maar naar het binnenste van de aarde. Langzaam trekken de aardlagen voorbij. Zout, zand, gas, steenkool, diamant en magma. Naarmate je dichter bij de aardkern komt, wordt het gloeiend heet. Hoe overleef je dat? Eenmaal weer boven, is het idee, kennen kinderen de aarde letterlijk en figuurlijk van binnenuit.[1] 
  2. m een edelsteen gesneden uit [1]
    • In Botswana is de grootste diamant in honderd jaar gevonden. De diamant van 1.111 karaat is even groot als een tennisbal, aldus Lucara, het in Vancouver gevestigde bedrijf dat de Karowe-mijn in Botswana exploiteert. Het is volgens het mijnbedrijf de op één na grootste diamant die ooit is gedolven. De allergrootste is de Cullinan van 3.106 karaat, die in 1905 werd gevonden in Zuid-Afrika. Wat de in Botswana gevonden diamant waard is, is nog niet bekend.[2] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Lisa Vos 10 juni 2016
  2. NRC 20 november 2015