gloor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gloor

Werkwoord

vervoeging van
gloren

gloor

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gloren
    • Ik gloor. 
  2. gebiedende wijs van gloren
    • Gloor! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gloren
    • Gloor je? 

Gangbaarheid


Gronings

Zelfstandig naamwoord

gloor

  1. (element)(scheikunde) chloor; scheikundig element met atoomnummer 17. Het is een geelgroen halogeen ,dat bij kamertemperatuur gasvormig is
Afkorting


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

gloor

  1. (element)(scheikunde) chloor; scheikundig element met atoomnummer 17. Het is een geelgroen halogeen ,dat bij kamertemperatuur gasvormig is
Afkorting
Synoniemen

Meer informatie