bul

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[A 1] mannelijk rund
Uitspraak
Woordafbreking
  • bul
enkelvoud meervoud
naamwoord bul bullen
verkleinwoord bulletje bulletjes

Zelfstandig naamwoord

[A] bul m

  1. (zoogdieren) mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
Hyponiemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

enkelvoud meervoud
naamwoord bul bullen
verkleinwoord bulletje bulletjes

Zelfstandig naamwoord

[B] bul v/m

  1. oorkonde bij het behalen van een academische graad
  2. pauselijke oorkonde
Afgeleide begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Meer informatie

Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘stier’ voor het eerst aangetroffen in 1281 [1]
  • Herkomst: Hebreeuws (gangbare Nederlandse versie), letterlijk: 'opbrengst' [2]

Zelfstandig naamwoord

[C] bul

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) achtste maand van het jaar, in oktober-november; oude benaming, later marchesjvan (1 Kon. 6:38)
Verwante begrippen
  • Hebreeuws (transcriptieversie): boel

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
64 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • bul

Zelfstandig naamwoord

bul

  1. genitief meervoud van bula

Werkwoord

bul

  1. informeel tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van het imperfectieve werkwoord bulit