bullebak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bul·le·bak
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘boeman’ voor het eerst aangetroffen in 1611 [1]
  • samenstelling van  bul  en  bak  met het invoegsel -e-  [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bullebak bullebakken
verkleinwoord bullebakje bullebakjes

Zelfstandig naamwoord

bullebak m

  1. Een angstaanjagend persoon, een tiran.
    • Moeder, ´k ben zo bang van de bullebak. Bang van de bullebak, bang van de bullebak. Moeder, ´k ben zo bang van de bullebak. Kijk, daar komt ie aan. (Annie M.G. Schmidt). 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen