buizerd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een buizerd.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·zerd
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘roofvogel’ voor het eerst aangetroffen in 1567 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord buizerd buizerds
verkleinwoord buizerdje buizerdjes

Zelfstandig naamwoord

buizerd m

  1. (vogels) Buteo buteo op Wikispecies, een middelgrote roofvogel die vooral van veldmuizen leeft
    • Er is gevaar gesignaleerd: er vliegen twee buizerds, duiven zijn angstig voor de roofvogels, wat een snelle landing kan verhinderen. Een buizerd is te traag om duiven te pakken, zegt Gerard. Maar haviken en slechtvalken grijpen regelmatig een duif uit de lucht.[3] 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen