buiginkje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·gin·kje
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

buiginkje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord buiging