koesteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • koes·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
koesteren
koesterde
gekoesterd
zwak -d volledig

Werkwoord

koesteren

  1. overgankelijk iets geliefds nauw aan het hart houden, vertroetelen of verzorgen
    • Hij koesterde zijn geliefde op innige wijze. 
  2. overgankelijk (figuurlijk) (over denkbeelden of gevoelens) voelen of er op nahouden
    • Hij koesterde wrok jegens zijn concurrent. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen