koesteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • koes·te·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
koesteren
koesterde
gekoesterd
zwak -d volledig

Werkwoord

koesteren

  1. overgankelijk iets geliefds nauw aan het hart houden
    • Hij koesterde zijn geliefde op innige wijze. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.