blinddoek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Blinddoek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blind·doek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord blinddoek blinddoeken
verkleinwoord blinddoekje blinddoekjes

Zelfstandig naamwoord

blinddoek o/m

  1. over de ogen gebonden reep ondoorzichtige stof om het zien te verhinderen
    Niet voor niets draagt Vrouwe Justitia een blinddoek.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
blinddoeken

blinddoek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blinddoeken
    Ik blinddoek.
  2. gebiedende wijs van blinddoeken
    Blinddoek!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blinddoeken
    Blinddoek je?

Meer informatie