Naar inhoud springen

blinddoek

Uit WikiWoordenboek
Een man met blinddoek
  • blind·doek
enkelvoud meervoud
naamwoord blinddoek blinddoeken
verkleinwoord blinddoekje blinddoekjes

blinddoek o/m

  1. over de ogen gebonden reep ondoorzichtige stof om het zien te verhinderen
    • Niet voor niets draagt Vrouwe Justitia een blinddoek. 
    • Bij het spelletje ezeltje prik heeft het kind een blinddoek om. 
vervoeging van
blinddoeken

blinddoek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blinddoeken
    • Ik blinddoek. 
  2. gebiedende wijs van blinddoeken
    • Blinddoek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blinddoeken
    • Blinddoek je? 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be