montuur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mon·tuur
enkelvoud meervoud
naamwoord montuur monturen
verkleinwoord montuurtje montuurtjes

Zelfstandig naamwoord

montuur o/(v)

  1. de houder waarin bijv. edelstenen e.d. worden gevat
    • De diamant is van het montuur losgeraakt. 
  2. (optica) de houder waarin brillenglazen zijn gevat
    • Een bril met een randloos montuur is onopvallend. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie