montuur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mon·tuur
enkelvoud meervoud
naamwoord montuur monturen
verkleinwoord montuurtje montuurtjes

Zelfstandig naamwoord

montuur o/(v)

  1. de houder waarin bijv. edelstenen e.d. worden gevat
    De diamant is van het montuur losgeraakt.
  2. (optica) de houder waarin brillenglazen zijn gevat
    Een bril met een randloos montuur is onopvallend.
Synoniemen
Vertalingen