biggen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • big·gen

Zelfstandig naamwoord

biggen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord big

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.