bezem
Uiterlijk
- be·zem
- van Middelnederlands bessem / beseme, in de betekenis van ‘werktuig om te vegen’ aangetroffen vanaf 1240; stamt af van Germaans *besmon, cognaat met Engels besom en Duits Besen [1] [2] [3]
- [2] overdrachtelijk naar de functie [4]
- [3], [4] overdrachtelijk naar de vorm [4]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bezem | bezems |
| verkleinwoord | bezempje | bezempjes |
de bezem m
- (gereedschap) (huishouden) voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
- (persoon) (figuurlijk) (sport) (voetbal) verdedigende speler die door spelinzicht en snelheid aanvallende doorbraken van de tegenstander afbreekt
- (persoon) (figuurlijk) (spottend) lang, mager persoon, vaak met slobberende kleding
- (scheldwoord) (jongerentaal) iemand die traag van begrip is of zich gemakkelijk tot seks laat bewegen
- [1] borstel, stoffer, veger, keerborstel
- [3] bezemsteel
- [4] hoer, slet, sukkel
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
- [4] bezemfilm
- [1] de bezem halen door
- • Hij haalde de bezem door alle oude wetgeving en schafte alle overbodige regels af.
- ▸ Daarna ging de bezem erdoorheen.[6]
- [1] de bezem de mast inop zee de baas zijn
- [1] over de bezem getrouwd zijnongehuwd samenwonen, hokken
- [1] het vuil gaat voor de bezemgezegd over iemand die zich hooghartig opstelt
- [1] nieuwe bezems vegen schoonnieuwe bazen gaan anders met zittend personeel om
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
| vervoeging van |
|---|
| bezemen |
bezem
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezemen
- Ik bezem.
- gebiedende wijs van bezemen
- Bezem!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezemen
- Bezem je?
- Het woord bezem staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "bezem" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[7] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ bezem op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "bezem" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- 1 2
Weblink bron Marc De Coster“Woordenboek van Populair Taalgebruik : bezem” (2020-2025) op ensie.nl - ↑ “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat
, p. 14 - ↑ “All-inclusive”
(2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht
, ISBN 90-229-9182-2 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
- IPA: /bɛzɛm/
- be·zem
bezem
- instrumentalis enkelvoud van bez
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Gereedschap in het Nederlands
- Huishouden in het Nederlands
- Persoon in het Nederlands
- Figuurlijk in het Nederlands
- Sport in het Nederlands
- Spottend in het Nederlands
- Scheldwoord in het Nederlands
- Jongerentaal in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %
- Woorden in het Tsjechisch
- Woorden in het Tsjechisch met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Tsjechisch