bezem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zem
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bezem bezems
verkleinwoord bezempje bezempjes

Zelfstandig naamwoord

bezem m

  1. (gereedschap) (huishouden) een huishoudelijk voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
    Met een bezem veeg je vooral grof vuil bij elkaar.
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  1. de bezem door iets/erdoor halen: grote schoonmaak houden; (figuurlijk) zorgen dat iets wat niet goed gaat beter en makkelijker gaat
    Hij haalde de bezem door alle oude wetgeving en schafte alle overbodige regels af.
Uitdrukkingen en gezegden
  • De bezem de mast in
op zee de baas zijn
  • De deur uit bezemen
wegjagen
  • Het vuil gaat voor de bezem
gezegd over iemand die zich hooghartig opstelt
  • Nieuwe bezems vegen schoon
nieuwe bazen gaan anders met zittend personeel om
  • Over de bezem getrouwd zijn
ongehuwd samenwonen, hokken
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
bezemen

bezem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezemen
    Ik bezem.
  2. gebiedende wijs van bezemen
    Bezem!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezemen
    Bezem je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl