balke

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bal·ke

Werkwoord

vervoeging van
balken

balke

  1. aanvoegende wijs van balken


Limburgs

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
balke
beelk
gebalke
klasse 7 volledig

Werkwoord

balke

  1. (Hooglimburgs) vervelen
    «Balk mir neet zoea, went doe haes baeter dinger edoon!»
    Verveel mij niet zo, want jij hebt betere dingen aan het doen!


Middelnederlands

enkelvoud meervoud
nominatief balke balken
genitief balken balken
datief balke balken
accusatief balke balken

Zelfstandig naamwoord

balke m

  1. balk