hinderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
hinderen hinderend
hindernis gehinderd
hinder hinderlijk
Uitspraak
Woordafbreking
  • hin·de·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hinderen
/'ɦɪndərə(n)/
hinderde
/'ɦɪndərdə/
gehinderd
/ɣə'ɦɪndərt/
zwak -d volledig

Werkwoord

hinderen

  1. (overgankelijk) de voortgang verstoren
  2. (overgankelijk) iets of iemand storen in zijn/haar bezigheden
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen