Naar inhoud springen

buss

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: bus

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
buss busses

Zelfstandig naamwoord

buss

  1. (verouderd), osculation, (ook: streektaal) kus
  2. (verouderd), (scheepvaart) buis, haringbuis
Synoniemen
vervoeging
onbepaalde wijs to  buss 
he/she/it  busses 
verleden tijd  bussed 
voltooid
deelwoord
 bussed 
onvoltooid
deelwoord
 bussing 
gebiedende wijs  buss 

Werkwoord

buss

  1. onovergankelijk, overgankelijk, (verouderd), (ook: streektaal) kussen
    «He bussed her lightly on the forehead.»
    Hij kuste haar zachtjes op het voorhoofd.
Synoniemen


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • buss

Zelfstandig naamwoord

buss g

  1. bus
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   buss     bussen     bussar     bussarna  
genitief   buss     bussens     bussars     bussarnas