architectuur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·chi·tec·tuur
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Latijn met het achtervoegsel -tura[1]
enkelvoud meervoud
naamwoord architectuur architecturen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

architectuur v

  1. (kunst), de bouwstijl van een gebouw, bouwstijl
    • De architectuur geeft doorgaans de opvatting van de architect weer. 
  2. (bouwkunde), (wetenschap), (techniek), de kunst en de leer van het ontwerpen en uitvoeren van bouwwerken, bouwkunst
    • In Delft kun je aan de TU architectuur studeren 
  3. (wetenschap), (techniek), conceptuele structuur en het functionele gedrag van computersystemen, systeemprogramma's en andere systemen of de beschrijving daarvan
    • Wij hebben een stervormige architectuur in ons netwerk toegepast. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Typische woordcombinaties
  • naoorlogse architectuur
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

architectuur

  1. (wetenschap) architectuur


Zeeuws

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

architectuur

  1. (wetenschap) architectuur