architect

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·chi·tect
enkelvoud meervoud
naamwoord architect architecten
verkleinwoord architectje architectjes

Zelfstandig naamwoord

architect m

  1. (beroep) (kunst), (bouwkunde), iemand die gebouwen en constructies ontwerpt en de leiding neemt tijdens de bouw ervan
    De architect voelde zich meer een kunstenaar dan een technicus.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie