afspraak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·spraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afspraak afspraken
verkleinwoord afspraakje afspraakjes

Zelfstandig naamwoord

afspraak v/m

  1. een overeenkomst
    Er viel geen afspraak met hem te maken.
  2. date
    De jongen maakte een afspraakje met het leuke meisje.
Overerving en ontlening
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie