afspraakje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·spraak·je
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord afspraakje afspraakjes

Zelfstandig naamwoord

afspraakje o dim. tant.

  1. een afspraak tussen verliefden om elkaar te ontmoeten
    • Het afspraakje verliep zoals hij hoopte. 
     Wijfie giechelde met de elegantie van een jong kippetje tijdens haar eerste afspraakje.[1]
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

afspraakje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord afspraak

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2