Naar inhoud springen

afspraakje

Uit WikiWoordenboek
  • af·spraak·je
[2] enkelvoud meervoud
naamwoord (afspraak) (afspraken)
verkleinwoord afspraakje afspraakjes

hetafspraakjeo

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord afspraak
     Bel de praktijk voor een kort afspraakje om het draadje af te knippen.[1]
  2. alleen verkleinwoord belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoeten
    • Het afspraakje verliep zoals hij hoopte. 
     Wijfie giechelde met de elegantie van een jong kippetje tijdens haar eerste afspraakje.[2]
     'Wat is dit? Wil je soms een afspraakje met me, Odelle?'Ik wist geen woord uit te brengen.[3]
  1. Bronlink geraadpleegd op 29 januari 2024 Weblink bron Gearchiveerde versie “Is er iets mis met je beugel?” op tandheelkundigcentrum.nl
  2. All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht op Wikipedia, ISBN 90-229-9182-2
  3. Jessie Burton (vert.Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704