afspreken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·spre·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afspreken
sprak af
afgesproken
klasse 4 volledig

Werkwoord

afspreken

  1. overgankelijk een onderling vergelijk vastleggen, overeenkomen
    • Zij spraken af om de vergadering te verzetten. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.