afnemen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
afnemen afnemend
afname afgenomen


Woordafbreking
  • af·ne·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afnemen
nam af
afgenomen
klasse 4 volledig

Werkwoord

afnemen

  1. overgankelijk iemand iets ~: iemand iets doen verliezen
    • Hem werd zijn auto afgenomen. 
  2. overgankelijk een bepaalde hoeveelheid kopen bij een producent
    • De landbouw neemt veel producten af van de chemische industrie. 
  3. overgankelijk van een bepaalde plaats verwijderen, afdoen, wegnemen
    • Ik heb zojuist stof afgenomen. 
    • de hoed afnemen. 
  4. overgankelijk plechtig laten afleggen, doen ondergaan (examen, verhoor, eed)
    • Hem werd een eed afgenomen. 
  5. ergatief minder groot of talrijk worden, verminderen
    • Het geweld in Bosnië is gelukkig sterk afgenomen. 
  6. ergatief afvallen (in lichaamsgewicht afnemen)
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen