beëindigen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ein·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van einde met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -ig of afgeleid van eindig met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beëindigen
beëindigde
beëindigd
zwak -d volledig

Werkwoord

beëindigen

  1. overgankelijk tot een einde brengen
    • De scheidsrechter beëindigde de wedstrijd omdat er rellen waren uitgebroken op de tribune. 
     Ook waren er vier glijbanen, aan elke zijde één, waardoor een klimpartij met een flinke roetsj kon worden beëindigd.[1]
     Het vrijwillig beëindigen van mijn leven groeide na elke dag die er verstreek uit tot een reëlere optie.[1]
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. 1,0 1,1 Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be