adderen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ad·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Latijnse 'addere'
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
adderen
addeerde
geaddeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

(als werkwoord)

addéren overgankelijk

  1. optellen
  2. (scheikunde) (nieuwe moleculen) vormen uit de samenvoeging van twee bestaande moleculen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

adderen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord adder

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders;
47 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be