addergebroed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ad·der·ge·broed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord addergebroed -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

addergebroed o

  1. (scheldwoord) (pejoratief) boosaardige mensen, die door nijd en laster het geluk van anderen vergiftigen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen